Versmaad

Op 't molmend bankje zit, in bladbruin kleed,
't Verwelkend meisjen in 't verwelkend woud.
De wolken donkren en de wind waait koud -
Zij peinst, verloren in haar levensleed.
 
Op 't grijzend haar valt rimplig bladergoud.
Geen toekomst meer, haar lief verliet haar wreed
Voor schitteroog en rooswang en zij weet:
Haar hart bleef jong, alleen 't gelaat is oud.
 
Zij ziet haar leven als die najaarslaan,
Ontbladerd half al, leeg en lang gestrekt.
En ze is moe - waartoe nog verder gaan?
 
Tot op haar wang uit bronzen boomkruin lekt
Een regendroppel, killer dan een traan
En 't bleke meisje uit droef gemijmer wekt.
 
Hélène Swarth (1859-1941)
uit: Beeldjes uit vrouwenleven (1938)